Het alfabet van verbinding

Je bent wat je uit

 

Ongeveer 72.000 jaar geleden begon Homo Sapiens als eerste mens te spreken. En dat was zijn grote geluk. Nu kon hij strategischer in groep jagen, een evolutie die het voortbestaan van de soort verzekerde. Vandaag is het niet anders. Taal is nog altijd ons hulpmiddel bij uitstek om samen te werken. Een mailtje hier, een telefoontje daar. Stel je voor dat we eens met zijn allen een dagje niet zouden lezen, schrijven en praten? #boring zouden velen tegen de middag tweeten. Hoe slaagt taal erin om ons met elkaar te verbinden? En waarom bepaalt het zo sterk  wie we zijn en hoe we denken? Antropologe Jori De Coster legt het ons uit in haar ‘alfabet van verbinding’.

 

Redactie: Veerle Frissen & Mattias Devriendt, fotografie: Veerle Frissen

 

Afspraken

Jori: “Taal verbindt ons. Maar zonder afspraken geen taal. Elk tekensysteem bestaat nu eenmaal uit een aantal bouwstenen en regels die mensen maken om binnen dat systeem te kunnen functioneren. Zo kan men elkaar begrijpen. Er wordt bijvoorbeeld van iedereen verwacht de betekenis van een verkeersbord te kennen voor we de baan op gaan. Wie dezelfde taalbouwstenen en -afspraken deelt, is nauwer verbonden met elkaar dan wie dat niet doet.”

 

Bijbelverhalen 

Jori: “Verhalen uit de Bijbel zijn belangrijk omdat ze ons iets leren over de mens. Religieuze boeken zijn bij uitstek een medium voor mensen om hun geloofsregels  en waarden te delen. De Bijbel staat vol verhalen. De kracht van die verhalen is dat ze herkenbaar zijn en ons iets over onszelf en over elkaar. Een verhaal vergeet je nu eenmaal minder snel dan droge informatie. De Bijbel heeft zeker niet het monopolie op dat vlak. Je vind ook lessen over goed en kwaad in sprookjes. Waar het op neerkomt is dat verhalen in boeken, theater of film een gemeenschap permanent een spiegel voorhouden, aanzetten tot reflectie en soms ook louterend werken. Storytelling! Een gemeenschap die haar verhalen blijft vertellen, houdt haar gedeelde waarden in stand.”

 

Dialecten

Jori: “Dialecten zijn een heel ‘natuurlijke’ vorm van communicatie. Vroeger waren er niet alleen minder mensen dan nu, maar waren plaatsen ook minder dichtbevolkt. Mensen woonden verder uit elkaar en er bestond geen massamedia. Hoe dichter men bij elkaar woonde, hoe meer kans op interactie en hoe sterker men elkaars taalgebruik deelde. Door uitwisseling via handel of verovering werd taal uitgewisseld en werden bepaalde woorden overgenomen. Een dialect zoals het ‘Limburgs’ verbindt mensen dus op een natuurlijke manier terwijl eenheidstalen zoals het Nederlands veel kunstmatiger zijn. Het zijn constructies ontstaan uit praktische overwegingen zoals handel of het bestuur van een regio. Of ze zorgen ervoor dat groepen mensen een politiek of economisch belang kunnen delen. De luchtvaart is een voorbeeld van een sector waarin een gedeelde taal heel belangrijk is om veiligheids-  en economische redenen. Denk ook maar aan het Latijn vroeger en het Engels nu als ‘lingua franca’, talen die we spreken als we verbinding willen maken als geen van beiden de moedertaal van de ander beheerst.”

 

 

Etiketten

Jori: “Gehandicapten, mensen met een beperking, mensen met een handicap, invaliden, kreupelen: om een groep aan te duiden bestaan vele etiketten. Vroeger sprak men over gehandicapten, tegenwoordig over personen met een beperking. Zij zijn immers zelf hun eigen stem gaan opeisen. Taal is immers macht en de macht ligt aan de zijde van diegene die kan spreken en benoemen. Het etiket ‘Mensen met een beperking’ is een voorbeeld van ‘people first language’. Je ziet eerst de mens. De beperking of het anders zijn definieert de persoon niet. Veralgemeningen zijn een ander goed voorbeeld hiervan. Bevolkingsgroepen worden vaak als homogeen voorgesteld terwijl er binnen een bepaalde groep een diversiteit van posities, achtergronden en opinies zou kunnen bestaan (de rijken, de armen, de socialisten, de Walen, de Chinezen, de gehandicapten etc.). Het gaat erover dat je mensen binnen een gemeenschap een stem geeft om zelf te spreken.”

 

 

Fictie

Jori: “Fictie is een mooi voorbeeld van wat over mensen heen verbindend kan werken. Afhankelijk van de tijdsgeest worden verhalen en personages steeds weer anders ingevuld. Goede fictie kan ons helpen om als gemeenschap te dromen, een mogelijke toekomst te zien en daarover te reflecteren en waardevolle ethische lessen te trekken. Momenteel verschijnen er veel films over angst, klimaatverandering of vluchtelingen. Of denk aan de vele romans of Netflix-series over de grens tussen mens en technologie.”

 

 Geluiden

Jori: “Bij taal denken we aan woorden, maar even verbindend is de taal van de kunst. Muziek kan je bijvoorbeeld begrijpen als een vorm van woordeloze en grenzeloze communicatie. Misschien begrijp je de lyrics van een metal song niet of ben je geen kenner van klassieke muziek maar spreekt zo’n nummer of compositie je gevoelens wel aan. Muziek of dans kunnen dus heel verbindend zijn en zelfs meer verbindend dan andere vormen van taal.”

 

 

Handgebaren

Jori: “Mensen maken gebruik van lichaamstaal en non-verbale communicatie, zoals  ‘gestures’ of handgebaren, maar ook die kunnen per sociaal-culturele context verschillen, zoals de afstand tot je gesprekspartner. Zelfs gebarentaal kent verschillende dialecten en dus verschillende toegekende en afgesproken woorden, bouwstenen en regels. Wist je dat met het hoofd knikken en schudden niet overal ja en nee betekent?”

 

 

Jargon

Jori: “Taal is een sterk mechanisme om mensen te verwelkomen in de groep of net uit te sluiten ‘Jij hoort bij onze groep en jij niet!’ Denk maar aan het jargon dat dokters gebruiken. Als je dokters onder elkaar hoort spreken, begrijp je vaak niet waarover ze het hebben. Slang is dan weer informele taal, die je vaak hoort onder jongeren. Een snelle oproep onder bevriende leerkrachten leert me dat woorden zoals ‘chill’, ‘skeer’ of ‘ziek nice’ alomtegenwoordig zijn onder Vlaamse jongeren. Als je geen deel uitmaakt van die ‘incrowd’, snap je de woorden vaak niet. Jargon kan gebruikt worden om mensen intentioneel buiten het groepsgebeuren te houden of net met elkaar te verbinden.”

 

 

Kalmeren

Jori: “Binnen een taal bestaan er een heleboel tools waarmee je een boodschap kan overbrengen. Soms kan een boodschap wat moeilijker liggen bij een publiek en kan de spreker terugvallen op allerhande mechanismen om de eigen persoon wat meer te verbergen (afstandelijke taal, geen ik-vorm) of om de boodschap zelf wat verhullen  (vb. het woord ‘herstructureren’ om personeelsleden te ontslaan). Dat kan zowel positief zijn als negatief. Het kan een diplomatische strategie zijn om groepen mensen niet op de schenen te trappen. Voorzichtig taalgebruik werkt in dat geval verbindend. Een boodschap die hard zou aankomen wordt op die manier voorzichtiger gebracht. Maar het kan ook negatief uitdraaien. Eufemismen of verbloemingen zijn manieren om de werkelijkheid mooier weer te geven dan ze eigenlijk is. Vooral binnen de politiek heeft men een heleboel tools om boodschappen in te pakken volgens de eigen strategie en de waarheid soms te verbloemen of gewoon compleet te verhullen.”

 

 

Land- en taalgrenzen

Jori: “Taalgrenzen zijn niet hetzelfde als landsgrenzen. Taal is immers slechts één van de dingen die een volk kan verbinden. Belgen staan er bijvoorbeeld om bekend meer gesloten en terughoudend te zijn dan Nederlanders. België en Nederland hebben dan wel elk hun ontstaansgeschiedenis en eigenheid die zich uit via verschillen op politiek en  sociaal vlak, maar ondanks de afwezigheid van een taalgrens ook op gebied van taal. Dit zijn echter geen strikte verschillen: ook binnen een land zoals België en Nederland vind je immers enorme verschillen en over de landsgrenzen heen vind je even goed gelijkenissen. Grenzen zijn vaak artificieel en bovendien dynamisch. Ze veranderen doorheen de tijd.”

 

 Mama

Jori: “Als er één woord is dat ons wereldwijd met elkaar bindt, dan is het wel ‘mama’. Taal ontstaat door interactie met de omgeving en constante uitwisseling van klanken en geluiden. Baby’s herkennen ze, maken er geleidelijk aan onderscheid tussen, leren patronen herkennen en imiteren. De zorgverleners van een baby spelen in het proces een zeer belangrijke rol. Omdat die primaire zorgverleners nog steeds vaak vrouwen zijn, zou dat een verklaring kunnen zijn voor de link naar het woord mama. Daarnaast is er de ‘babytaal’ die we allemaal tegen kleintjes spreken. Denk dan aan repetitieve lettergrepen (tata, baba, mama) en de sterke intonatie van volwassenen als ze tegen een baby spreken. Een kind imiteert aanvankelijk die geluiden en in de eerste plaats de gemakkelijke klinkers (aaaaaaa, eeee …. ) en medeklinkers. Een m en een a zijn motorisch eenvoudige letters om uit te spreken. Daarna volgen dan de andere  medeklinkers, korte woordjes en eenvoudige zinnen. Aan alle mama’s: je kindje heeft vermoedelijk spijtig genoeg geen idee wat het zegt als het voor het eerst mama uitspreekt. Maar dat kan de pret niet bederven.”

 

 

Praatmomenten

Jori: “Tijdens een vloeiend gesprek hebben we vaak het gevoel ons verbonden te voelen. Die praatmomenten kunnen ons een enorm warm gevoel bezorgen. We kunnen soms echt blij zijn van een goed gesprek, maar uiteraard kan een aangename stilte tussen twee personen ook wijzen op een goede band; men begrijpt elkaar zonder woorden wat wijst op een diepe vriendschapsband. Stilte kan echter ook oncomfortabel zijn. Een gesprek dat maar niet op gang komt kan frustraties opleveren. We vinden het moeilijk om een band te smeden met de andere persoon en zulke stiltes kunnen dat pijnlijk duidelijk maken en het gesprek nog meer afremmen. Stilte, vooral een die naar ons aanvoelen te lang duurt temidden van een gesprek, veroorzaakt onzekerheid. Denk maar aan een sollicitatiegesprek.”

 

 

Stilte

Jori: “Stilte kan zowel positieve (een stille kracht, een uiting van solidariteit, samenhorigheid) als negatieve (leegte, onvermogen, onderdrukking) effecten hebben op de verbondenheid tussen mensen. Omdat stilte al verschillende functies kan vervullen, is het ook een heel erg ambigue begrip. Stilte op zich communiceert ook iets en kan soms zelfs betekenisvoller zijn dan een lawine aan woorden. Veel hangt dus eigenlijk af van context, maar stilte is in elk geval niet simpelweg een eenvoudige afwezigheid van geluid.  Je zou stilte in sommige instanties zelfs als een soort schreeuw kunnen begrijpen. Het dient dan om een spanningsboog te creëren en bepaalde verwachtingen op te roepen en zo het publiek mee te krijgen met wat je te vertellen hebt. Ken je de 20ste eeuwse componist John Cage? Hij schreef het beroemde driedelige muziekstuk 4’33”, een nummer van 4 minuten en 33 seconden zonder muziek.  Met dat stuk wil Cage tonen dat pure stilte niet bestaat omdat de luisteraar tijdens de afwezigheid van het geluid voortgebracht door een instrument, geconfronteerd wordt met omgevingsgeluiden, zoals de eigen hartslag of het gekuch in de zaal.”

 

 

Taboe

Jori: “De tijdsgeest verandert en daardoor veranderen ook de betekenis en de connotatie van woorden. In het scheldwoordenboek wordt het woord ‘bastaard’ als voorbeeld gegeven van een woord dat ooit taboe was, maar rond de jaren ‘60 een onschuldige term werd. Niet alleen doorheen de tijd, maar ook naargelang de groep sprekers kan een woord een andere connotatie krijgen. Bepaalde metaforen kunnen dienen om een groep mensen te stigmatiseren. Sommige politici of media spreken over een stroom vluchtelingen. Dat impliceert dat het een grote groep is waar men weinig controle over heeft en waar mogelijk gevaar achter schuilt. Woorden zoals homo of neger wijzen vandaag de dag nog op gevoeligheden en spanningen tussen groepen of gemeenschappen. De tijdsgeest en taalverandering doorheen de tijd, heeft dus een grote invloed alsook de specifieke gebruikers en de relatie tussen groepen. Het woord ‘nerd’ heeft nu een hippere invulling dan vroeger. Populaire media spelen daarin een rol. Taalgebruik kan ons dus heel erg veel bijbrengen over de tijdsgeest en over hoe mensen tegenover of naast elkaar staan.”

 

 

Wiskunde

Jori: “Taal en wiskunde: het lijken tegenpolen, maar dat hoeven ze niet te zijn. Er bestaat immers taal op verschillende niveaus. Communicatie mag je niet enkel herleiden tot ‘samen praten’. Dansen of knipperen met een ooglid zijn ook vormen van taal. Zulke gedeelde betekenissen kunnen eigen zijn aan zeer intieme relaties, aan bepaalde gemeenschappen maar kunnen die ook overstijgen. Wiskunde is zo’n voorbeeld van een wereldwijde taal die ons over taal- en landgrenzen heen met elkaar verbindt. Gedeelde taal zorgt voor een gevoel van verbondenheid.”

 

 

Verhalen

Jori: “De Homo Sapiens ontwikkelde het vermogen om zich naast de echte wereld, een imaginaire wereld voor te stellen, stelt geschiedkundige Yuval Noah Harari in zijn boek ‘Sapiens’. Mensen vonden elkaar in het vertellen van verhalen en het geloof in natuurgoden of voorouderlijke geesten.  Een gemeenschappelijk wereldbeeld zorgde voor verbinding. De ontwikkeling van het schrift, ging gepaard met de drang om die gemeenschappelijke verhalen neer te schrijven en erover te reflecteren. De uitvinding van de boekdrukkunst maakte het tenslotte mogelijk om kennis over de hele wereld te verspreiden.”

 

 

Yes we can

Jori: “Taal heeft het potentieel om mensen te bewegen (letterlijk en figuurlijk). Yes we can. I have a dream. America First. Het zijn stuk voor stuk uitspraken die een breed publiek kunnen raken. Zulke slogans roepen scherpe beelden op bij de achterban. Ze verwijzen naar wat op een bepaald moment relevant is of ze laten bepaalde idealen naar de voorgrond treden. Zo kan een slogan bijvoorbeeld (in)direct verwijzen naar het algemeen gekende gegeven van de American Dream of een terugkeer naar een geromantiseerd verleden. Het aspect van hoop is dan ook sterk aanwezig in zulke slogans, maar ook identiteit, eenheid en vastberadenheid. Het zijn bindmiddelen.

Neem nu Yes we can. De slogan start met het bevestigende en vastberaden ‘yes’. Het tweede woord is ‘we’ waarbij de nadruk wordt gelegd op dat wij-gevoel van samenhorigheid. Ten slotte is er ‘can’, het ‘samen kunnen’. De slogan is inclusief en trekt dus geen kloof, maar benadrukt het ‘samen’gevoel. Er er is natuurlijk ook Obama, de belichaming van zijn eigen spreuk. Hij is de eerste zwarte president met een Afrikaanse vader en een Amerikaanse moeder. Dat geeft hoop!”

 

 

Zwijgen

Jori: “Stilte kan een statement zijn van een groep mensen die samen aandacht voor iets willen vragen.  Net door het niet spreken of roepen kan men om respect vragen, denk maar aan ‘de minuut stilte’, of zwijgen wanneer iemand spreekt. Bij protestbewegingen zie je vaak dat stilte de beste vorm van weerstand bieden blijkt. Stilte is dus niet zomaar een afwezigheid van geluid, maar wijst ons op het aanwezig maken van iets wat anders misschien maar moeilijk of zelfs helemaal niet geuit kan worden. Engagement wordt sinds 2000 ook sterk via het wereldwijde web aangemoedigd. Meer kennis over wat er speelt in de wereld, kan leiden tot een groter engagement. Er ontstonden ‘hashtags’ om mensen naar ‘trending topics’ te leiden. Zo kunnen mensen zich zwijgend vanachter hun computer toch aansluiten bij een groep. De gebalde slogans op sociale media appelleren immers aan ons rechtvaardigheidsgevoel. Tegelijkertijd wordt het steeds moeilijker om feit van fictie te onderscheiden. Sommigen kiezen er dan ook bewust voor om het bombardement aan nieuws uit hun leven te bannen.”

 

Taal – Hoe het allemaal begon

  • 000 v.Chr.: Homo Sapiens begint te spreken
  • 600 v.Chr.: De taalfamilie Indo-Europees ontstaat naast grote taalfamilies in Afrika en Azië als gevolg van migratie na een stijging van de zeespiegel door klimaatveranderingen.
  • 4000 v.Chr.: De eerste bureaucratieën ontstaan in steden en die brengen een behoefte aan getallen mee.
  • 3500 – 3000 v.Chr.: Soemeriërs (huidige Irak) bedenken het schrift bestaande uit getallen en tekens.
  • 2500 – 2000 v.Chr.: Mesopotamiërs (huidige Irak en Syrië) ontwikkelen het spijkerschrift waarin de eerste wereldliteratuur geschreven wordt: het Gilgamesj-epos over de zoektocht naar de zin van het leven.
  • 1000 v.Chr. Feniciërs ( huidige Libanon) ontwikkelen het alfabet dat overgenomen wordt door Grieken, Romeinen en Arabieren.
  • Inheemse bevolking van Noord- en Zuid-Amerika ontwikkelen op onafhankelijke wijze hun taal en kennen geen schriftelijke cultuur. Er zijn aanwijzingen van een ‘oertaal’ die alle mensen spraken voor ze verspreid raakten. Indianen, Aboriginals en inwoners van Siberië kennen allen de sterrengroep de Zeven Zussen.
  • 600 v.Chr.: In het Babylonische rijk en Egypte ontwikkelt men papier op basis van houtvezels. Teksten worden vastgelegd op rollen en in boeken. Kennis kan zich zo gemakkelijker verspreiden.
  • Vanaf 500 v.Chr.: opkomst van het monotheïsme in de 3 grote wereldgodsdiensten, Jodendom, Islam en Christendom. Losmaking van de natuurgodsdiensten, abstracte visie op een leven na de dood. Omdat elk boek met de hand wordt geschreven, blijft verspreiding eerder beperkt.
  • 1450: uitvinding boekdrukkunst door Johannes Gutenberg luidt de massale verspreiding van boeken in, ook in de volkstaal. Kennis voor iedereen.

 

Wie is Jori De Coster?

  • Jori is antropologe met een achtergrond in Engelstalige literatuur.
  • Ze werkt voor team Gelijke Kansen van de Vlaamse Overheid.
  • In haar vrije tijd leest en tekent ze graag en maakt ze lange wandelingen.
  • Ze speelt gitaar en piano.
  • Jori heeft een dochter Suzanne.
  • Haar lievelingsauteur is antropoloog en linguïst Keith Basso.
  • Deze boeken raadt ze iedereen aan: Chris Ware: “Building Stories” & Robert Pirsing: “Zen and the Art of Motorcycle Maintenance.

 

Geef een reactie

Je email adres wordt niet gepubliceerd. Required fields are marked *

Post comment