Akte van Berouw

Lotte Debrouwere

De Rups

 

“Ik voel me niet goed”, zei hij. De avond viel en het winterde buiten. Ik zei dat het wel zou overgaan. Wist ik veel. Ik was zeventien, hij twintig. Dan denk je niet dat de dood aan de deur staat. Dat die leperd van een dood een paar uur later binnenstormt zonder aarzelen. Zonder zijn voeten te vegen. Dus zei ik “liefje, het gaat wel weer over.” Ik zei het zelfs twee keer. Het gaat wel weer over. Het gaat wel weer over. Hij draaide zich nog even om. Op zijn rechterzijde. “Ik voel me echt niet goed.” Ik streelde zijn arm, nam de knuffelrups vast en stopte hem onder het witte ziekenhuislaken. “Kijk, de rups geeft licht in het donker”, probeerde ik sullig. Hij glimlachte. Of misschien heb ik dat er met de jaren bij gefantaseerd. Dat hij glimlachte. Misschien glimlachte hij niet. Ik gaf hem een zoen en verliet de ziekenhuiskamer. Zijn moeder draaide zich nog eens om, ging naar het bed en pakte hem vast. Ik bleef aan de deur staan. Zou ik nog eens terug? Misschien? Nog eens vastpakken ook? Ach nee, morgen zag ik hem wel weer. Ik ging niet terug. Ik ging niet naar het ziekenhuisbed terug.
Hij had iets raars, mijn liefje. De dokters wisten niet goed wat. De waarde van zijn rode bloedcellen stond veel te laag. Het was vreemd om zo’n grote kerel klein te zien. Om zo’n flinke gast zo flauw te zien. Hij was een stoere, blonde god die me zes dagen daarvoor nog kwam ophalen aan de schoolpoort. Met zijn motor. Wapperend hing ik aan zijn schouder, gevaarlijk zigzaggend op mijn fietsje. “Je ogen zijn een beetje geel”, had ik nog gezegd nadat ik hem had gekust. De blauwe zee in zijn ogen ebde weg. Een dag later moest hij al naar het ziekenhuis en dan… Nu ja, dan ging het razendsnel, zoals dat dan heet. Onderzoeken hier, scanners daar en wenkbrauwengefrons alom.
Mijn liefje is die nacht in het ziekenhuisbed gestorven. Het was bijna ochtend. Het moet ergens tussen vijf en zeven uur geweest zijn. Hij was alleen. Ik heb mijn liefje de week na zijn dood nog vaak gezien. Elke dag ging ik naar zijn dode lichaam. Ik legde mijn hoofd dan op zijn buik. En als niemand keek, kuste ik hem. Zoals de prins dat dan doet in het sprookje. De lippen van mijn liefje waren
koud. Zijn blauwe ogen waren dicht. Dichtgeplakt door de begrafenisondernemer. Niets werd wakker en alles was stil.
Na de begrafenis stond ik samen met zijn familie in de rij. Het ontvangstcomité der gebroken zielen. Met een rechte rug en een kapot hart schudden we handjes. Pakten we vrienden vast. Vreemden. Ik dacht aan mijn liefje daar alleen in die kist. Ik had hem op zijn laatste avond niet meer vastgepakt. Dat spijt me tot in het sterrendom en terug. En mijn laatste sullige woorden waren: “Kijk, de rups geeft licht in het donker”. De rups ligt nu in zijn kist. Ik kan alleen maar hopen dat de rups licht geeft. Daar in het diepe donker.

 

Lotte Debrouwere

Lotte Debrouwere (1978) maakte als journaliste radioprogramma’s en documentaires voor Radio 1, VPRO, RVU en VARA. Ze schreef drie jaar geleden het boek “Slaap Kindje Slaap, verdomme”, een bundeling van haar rauwe, grappige en pure
columns over het leven van een solomama. De column wordt nu nog elke zaterdag gepubliceerd in Het Nieuwsblad. Daarnaast schrijft Lotte columns over de actualiteit in diezelfde krant. Altijd met een kwinkslag. “Mooie, warme schilderijtjes in plaats van het grote gezeur”. Lotte woont en werkt in Gullegem, een doorsnee dorp waar alles zijn gangetje gaat.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.