Zwembroek

 

Mijn moeder vond dat ik dringend een nieuwe zwembroek nodig had, want je wist nooit wie je op het strand kon tegenkomen. Ik vroeg of het niet makkelijker was om op vakantie een zwembroek te kopen, maar dat was voor mijn moeder geen optie. Toen ik haar vroeg waarom niet, zei ze: ‘Omdat door een zwembroek hier te kopen, de vakantie eigenlijk al een beetje begint.’
De enige zwembroeken die nog overbleven in mijn maat waren een donkerblauwe en nog een andere met felrode bloemen.
Mijn moeder duwde me het pashokje in.
Schiet een beetje op, zei ze.
Ik trok snel mijn broek uit en ook mijn T-shirt. Ik hield mijn onderbroek aan voor de hygiëne. Mijn moeder had me in de auto gewaarschuwd dat je bij het passen van ondergoed of zwembroeken niet alleen moest denken aan alle mensen die nog na je zouden komen, maar ook, en vooral, aan alle mensen die er al voor je waren geweest.
Ik dacht aan alle andere jongens die voor mij in het hokje in de zwembroek met de rode bloemen waren gekropen. Het leek me vies, maar het gaf me ook een vreemd gevoel in mijn onderbuik.
De zwembroek was veel te groot, en dus zette ik mijn benen wat uit elkaar, ging door mijn knieën, gooide ook mijn armen in de lucht. Ik spande al mijn spieren aan en probeerde er zo streng mogelijk bij te kijken. Ik dacht aan de enorme witte beelden die we in het museum voor antieke kunst hadden gezien. De juf had wel honderd keer gezegd dat kijken mocht, maar dat we onze handen thuis moesten houden. Wie het toch riskeerde, mocht zijn spaargeld al beginnen tellen, zei ze. Kunst kon je leven ruïneren.
Ik herinner me niet hoe lang ik in de spiegel naar mijn dunne lichaam heb staan kijken. Het leek nog witter en vormelozer in dat felle licht. Ik begreep niet hoe mijn armen zo lang waren geworden en ik begreep ook niet wat ik daar in dat pashokje deed. Ook in een zwembroek met rode bloemen zag ik er op geen enkele manier uit als een man, een standbeeld waar je naar wilde blijven kijken.
Laat eens zien, riep mijn moeder van aan de andere kant van het gordijn.
Ik schoof het gordijn opzij en zette een stap naar voren.
Mijn moeder begon te lachen, hard en met haar ogen dichtgeknepen. Haar lach moet door de hele winkel te horen zijn geweest. Ze lachte zoals ze lachte wanneer ze op tv naar homemade video’s keek van mensen die van de trap donderden in hun huis of weggleden naast het zwembad. Ze verborg haar lach achter haar hand, maar de hand van mijn moeder was niet voldoende. Misschien dacht mijn moeder dat ze de handen van mijn vader had, dat haar hand groot genoeg was om zich achter te verschuilen.
Nee nee nee, zei ze en toen ze eindelijk uit gelachen was, zei ze ook: Goh amai, mijn buik.
Ze duwde me het hokje weer in.
Pak toch die blauwe maar, zei ze.
Blauw stond me sowieso beter. Blauw kon je ook met alles dragen.
En rood, zei ze, dat valt ook meteen zo op.
Ik weet nog dat ik knikte. Ik gaf mijn moeder gelijk. Nog steeds wanneer ik op vakantie iemand in een rode zwembroek over het strand zie lopen, moet ik daar aan denken. Nog steeds voel ik dan een beetje spijt.

 

 

Wie is Wouter Degreve?

Wouter Degreve (1986) geeft Franse les aan nieuwkomers in Brussel, waar hij ook woont. In 2018 werd hij genomineerd voor de Deus Ex Machinaprijs voor het beste ultrakorte verhaal, en recent haalde hij met een van zijn verhalen de shortlist voor Sampler 2020 bij uitgeverij Das Mag. Eerder werk verscheen in Deus Ex Machina en Virus (virusverhalen.nl). Hij studeerde aan de Schrijversacademie en werkt momenteel aan korte en langere verhalen. Na een drukke dag komt hij meestal niet zo snel tot rust, maar daar wordt aan gewerkt.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.