“Je moet als pleegouder bereid zijn te geven en niets terug te verwachten”

Jan (Pleegzorg Vlaanderen), Bruno en Wim (pleegouders) over BlaBlaCar, hechtingen en militanisme

Redactie: Nikkie Steyaert & Veerle Frissen, fotografie: Sophie Callewaert

Baby’s, tieners, volwassenen met een beperking, minderjarige vluchtelingen, bekenden of onbekenden: pleegkinderen kan je niet in een hokje duwen. En pleegzorg ook niet. Fulltime, enkel in het weekend of in vakanties, kortdurend of net voor een lange periode. Elk kind is anders. Elk engagement van pleegouders ook. “Verwacht niet dat je iemand gaat ‘redden’, à la ‘Oliver Twist’ of ‘Annie’. Maar weet wel dat je met pleegzorg een gigantisch verschil kan maken in het leven van een kind.”

Waarom zou iemand in vredesnaam pleegouder willen worden? De vraag brandt op mijn lippen terwijl ik wacht tot de grote voordeur van Bruno en Wim in hartje Brussel opengaat. Zij zijn al 5 jaar lang pleegouders. Wat voor mensen zouden zij zijn? “Er is niet één soort pleegouder, het zijn heel diverse mensen”, vertelde Jan van Pleegzorg Vlaanderen me eerder deze week aan de telefoon toen ik hem uitnodigde voor dit driegesprek. Zo bleken er ‘bestandspleegzorgers’ en ‘netwerkpleegzorgers’ te bestaan. Wanneer Jan met zijn team via campagnes zoekt naar nieuwe kandidaat-pleegzorgers, zoeken ze vrijwel altijd naar die eerste soort. ‘Bestandspleegzorgers’ zijn – net zoals Bruno en Wim die ik dadelijk ga ontmoeten – mensen die geen voorafgaande band hebben met de persoon die ze in hun gezin opnemen. Een netwerkpleegzorger daarentegen is een grootouder, een tante, een buur of zelfs een leerkracht of voetbalcoach die ervoor kiest om een welbepaald kind op te vangen. Bruno en Wim zijn ‘bestandspleegouders’ van niet-begeleide vluchtelingen. “Zoals dit koppel zijn er veel mensen”, vertelde Jan nog. “Ze zijn sterk aangegrepen door beelden uit vluchtelingenkampen zoals we er recent weer uit Moria in Griekenland binnenkregen. Sommige minderjarige vluchtelingen komen zonder enig eigen netwerk toe in België en voor hen zoekt Jeugdhulp Vlaanderen een plek.” Die plek is voor 3 van die jongeren het huis achter deze voordeur. Het huis dat me niet veel later hartelijk welkom heet. Het huis waar ik op een lange sofa eindelijk mijn brandende vraag kan voorleggen aan Bruno en Wim: waarom? “Waarom zouden we hen niet helpen? Mensen uit onze omgeving geven soms aan dat onze pleegkinderen met hun gat in de boter zijn gevallen. Daar kan ik kwaad van worden. Geldt datzelfde dan niet voor hun eigen kinderen? Het is toch het recht van elk kind om onder de best mogelijke omstandigheden op te groeien?”

En zo namen jullie contact op met Pleegzorg of hoe moet ik me dat voorstellen…
Wim: “Wij hebben een tijd in Parijs gewoond tijdens de weekends en maakten voor het heen- en weer verkeer altijd gebruik van BlaBlaCar, een vorm van carpooling. Tijdens een van die ritjes ontmoetten we een vrouw die als psycholoog werkte in een observatiecentrum. Het was 2015, het jaar waarin een groot aantal vluchtelingen naar ons land trok. Ze vertelde op zoek te zijn naar voogden voor niet-begeleide minderjarigen, jongeren die in ons land toekomen zonder ouders. Een voogd is een apart juridisch statuut waar je een kleine opleiding en examen voor moet doen.”

Bruno: “Kort na die ontmoeting volgde ik zo’n cursus en werd ik effectief voogd van 2 minderjarige vluchtelingen, maar voogd is geen pleegzorger. Het is een formelere rol. Je bent voornamelijk verantwoordelijk voor de administratie: gerechtelijke procedures, advocaten, papierwerk voor de school, de zoektocht naar een pleeggezin,… Het is een ‘neutrale’ rol, een steunpunt voor pleegkinderen zonder al te dichtbij te komen. Door als voogd op te treden, kwamen we in contact met veel niet-begeleide vluchtelingen en hun leefwereld. We ontdekten dat er alleen al in Brussel een tekort was van ongeveer 75 gezinnen. Ook de jongeren van wie ik voogd was, waren op zoek naar een familie. Na een paar maanden hebben Wim en ik beslist om een stap verder te gaan en ons aan te melden bij Pleegzorg Vlaanderen.”

KINDERWENS

Wat als er al kinderen in het gezin zijn? Maakt dat de pleegzorg makkelijker of net moeilijker?
Jan: “We werken altijd op maat. Er is een uitgebreide screening van de kandidaat-pleegouders. Daarbij worden ook de kinderen die de ouders al hebben, betrokken. Pleegzorg doe je met het hele gezin. Om het met een cliché te zeggen: als mama een nieuwe hobby zoekt, maar de rest van het gezin staat er niet achter, is het sowieso een ‘no go’ voor ons. Het zou natuurlijk kunnen dat iemand zich een beetje afwachtend opstelt, maar als er echt een duidelijke ‘nee’ is van de eigen kinderen, gaan we er niet mee door.” Bruno: “Wij hebben geen eigen kinderen dus dat maakte het makkelijker (lacht). Nee serieus. Wij hebben zelfs geen kinderwens. Pleegzorg Vlaanderen had het daar in het begin wel moeilijk mee: waarom wil je pleegouder worden als je geen kinderwens hebt? Maar wij zien het niet zo zwart-wit. Wij zijn Wim en Bruno, als er 3 tieners willen meedraaien in onze wereld, dan is dat prima en zijn ze hartelijk welkom. Volgens ons is dat ook de beste manier om pleegzorg te benaderen. Bij sommige pleegouders loopt het mis omdat ze een eigen gezinnetje willen stichten. Maar dat gaat nooit écht lukken; het zijn nu eenmaal niet jouw kinderen. Dat besef en die aanvaarding zijn zeer belangrijk. Wat niet wegneemt dat het heel gezellig en liefdevol kan zijn met onze pleegkinderen.”

Jan: “Inderdaad. Het is écht belangrijk dat er een warme klik is. Wanneer we in onze zoektocht een specifiek kind in gedachten hebben dat zou passen in een gezin, worden alle gezinsleden bij de uiteindelijke beslissing betrokken. We zorgen altijd voor een zachte overgang. Verblijft het kind bijvoorbeeld in een voorziening, dan starten we met een bezoekje van de kandidaat-pleegouders aan die voorziening, erna kan het kind een dagje mee naar de nieuwe thuis. Zo kunnen beide partijen kijken of die klik er is. We streven er in principe naar om het kind in een pleeggezin te plaatsen waar hij of zij het jongste lid wordt. Dat om de natuurlijke hiërarchie binnen het gezin niet te verstoren: het oudste kind blijft het oudste. Soms gebeurt het dat de leeftijden gelijk liggen, bijvoorbeeld voor ondersteunende, tijdelijke pleegzorg. Leeftijdsgenoten kunnen het doorgaans goed met elkaar vinden. Een uitzondering daarop zijn gezinnen die ervoor kiezen om minderjarige vluchtelingen op te vangen en waar de positie binnen het gezin anders kan liggen.”

Wim: “We hebben in ons gezin meerdere pleegkinderen van 19, 16 en 14 en merken dat dat zorgt voor een betere dynamiek. Ze leren van elkaars culturele verschillen. Wij staan open voor nog een vierde pleegkind, maar dan mag het niet te lang meer duren. Voor ons is het belangrijk dat alle pleegkinderen een band met elkaar hebben. Als we binnen 15 jaar Kerstmis vieren en we nodigen de vier kinderen uit, dan willen we dat ze elkaar voldoende kennen. Als een van onze pleegkinderen beslist om terug naar het geboorteland te trekken, dan zouden we sowieso verwachten op de feestdagen nog van hen te horen. Een telefoontje bijvoorbeeld om het familiemoment mee te maken en elkaar nog eens te horen.”

“Bij sommige pleegouders loopt het fout, omdat ze een eigen gezinnetje willen stichten. Dat zal nooit lukken, want het zijn nu eenmaal niet je eigen kinderen”

KANT-EN-KLAAR

Hoe zouden jullie de band met jullie pleegkinderen beschrijven?
Wim: “Wij hebben een goede band, maar die was er niet op 1, 2, 3. Je moet veel geduld hebben. Het kost tijd en energie om naar elkaar toe te groeien. Dat geldt ook voor de band tussen de pleegkinderen onderling. Je mag niet vergeten: een pleegkind komt kant-en-klaar, met eigen gewoontes, overtuigingen en een karakter dat al sterk gevormd is. Je moet elkaar leren kennen en aan elkaars aanwezigheid wennen. In het begin is er ook amper fysiek contact. Je moet als pleegouder bereid zijn te geven en niets terug te verwachten. Je mag hen zeker niet forceren of een knuffel afdwingen. Dat komt vanzelf, als je hen ruimte geeft.”

De pleegkinderen van Wim en Bruno verblijven voltijds bij hen. Maar er zijn dus ook kinderen die hoofdzakelijk in een voorziening verblijven en slechts af en toe bij een pleeggezin inwonen…
Jan: “Klopt, we noemen dat een ‘logeergezin’. Het kind kan dan in de weekends en/of vakantieperiodes bij een pleeggezin terecht. Pas op, het is evengoed een volwaardige vorm van pleegzorg en kan een groot verschil maken voor een kind. Een pleegmama vertelde over haar 14-jarige pleegdochter die ondertussen al 3,5 jaar 1 à 2 keer per maand een weekend bij hen komt, al naargelang ze er zelf behoefte aan heeft. Ze leerden elkaar kennen via één van de eigen kinderen op kamp; de pleegmama was toen mee als kookmama. Het pleegkind liet daar ontvallen: ‘Dat zou ik ook wel leuk vinden, ergens een thuis hebben’. Ze woonde al haar hele leven in een voorziening. Dus hebben ze na overleg binnen het gezin beslist om zich kandidaat te stellen. Natuurlijk kunnen ze dat ook gewoon onder elkaar beslissen, maar het voordeel om het via pleegzorg Vlaanderen te doen, is dat het een wettelijke omkadering geeft.”

Krijgen pleegouders (psychologische) begeleiding?
Bruno: “Ja, soms een beetje te veel zelfs. (lacht) Wij vonden het voortraject om pleegouder te worden wat te zwaar: gesprekken, screenings, testen, … Pleegouder zijn van een niet-begeleide vluchteling is totaal anders dan van een Belgisch pleegkind, en in onze ogen ook minder moeilijk. De meeste Belgische pleegkinderen komen uit zwaar gehavende gezinnen en zijn thuis vaak in aanraking gekomen met fysieke, emotionele of seksuele mishandeling, ouders die verslaafd zijn aan drugs of alcohol… Niet-begeleide vluchtelingen hebben meestal geen fysieke of psychologische trauma’s. Natuurlijk hebben ze bagage en verdriet omdat ze hun land hebben moeten verlaten en hun ouders niet meer kunnen zien, maar de meeste jongeren komen uit een warm nest. Ze vluchten omdat er oorlog heerst, of om een betere toekomst op te bouwen.”

Jan: “Het voortraject is inderdaad best intensief, maar de begeleiding tijdens de pleegzorg gebeurt wel heel sterk op maat. Voor de moeilijkere situaties bestaat er bijvoorbeeld ‘behandelingspleegzorg’. Dan spreken we niet alleen over sessies voor het pleegkind/jongere/gast, maar ook voor de pleegouders. Een hechtingsproblematiek is bijvoorbeeld iets waar pleegouders extra begeleiding in nodig hebben. Sommige kinderen werden nooit getroost door een vertrouwensfiguur toen ze pijn hadden of verdrietig waren. Als het kind als baby geleerd heeft dat wenen niet helpt, omdat er toch niemand naar omkijkt, dan wordt dat (enige) communicatiemiddel op den duur niet meer gebruikt. Pleegouders kunnen dan in eerste instantie het idee hebben dat het kindje heel rustig is, omdat het nooit weent. Maar misschien is het een kind met een onveilige hechting. Daar zijn specifieke vormingen voor en ook de begeleider kan helpen om ermee om te gaan. De pleegouders leren dan bijvoorbeeld om positieve signalen van het kind te versterken.”

Wim: “We vinden het goed dat de begeleiding er is, maar je moet ook genoeg ruimte krijgen om je eigen ding te doen. Wij worden nu nog steeds maandelijks opgevolgd door Pleegzorg Vlaanderen. Het is vooral goed voor de kinderen: ze krijgen eens aandacht van een andere persoon en kunnen hun hart luchten bij iemand anders dan onszelf. In de praktijk komen wij als pleegouders om de drie maanden samen met onze begeleider, dat is voor ons voldoende.”

“Mensen uit onze omgeving geven soms aan dat onze pleegkinderen met hun gat in de boter zijn gevallen. Daar kan ik kwaad van worden. Het is toch het recht van elk kind om onder de best mogelijke omstandigheden op te groeien?”

RELIGIE

Wat is de rol van de eigen ouders in de opvoeding van de kinderen?
Jan: “De stem van de ouders moet altijd gehoord worden. Ook al zijn ze voor langere tijd uit beeld en ook al zou het pleegkind niets liever willen dan mama/papa zeggen tegen de pleegouders: een pleegouder blijft altijd pleegouder. Sinds 1 september 2019 bestaat er een officieel statuut van ‘pleegouder’. Dat beschermt niet alleen de pleegouders, maar ook de ouders, die bepaalde beslissingen kunnen nemen over het gekozen onderwijsnet, de gezondheid, medische ingrepen, vaccinaties,…”

Bruno: “Dat is voor ons een reden geweest waarom we nooit overwogen hebben om kinderen uit ons eigen land op te vangen. Onze vorm van pleegzorg lijkt meer op adoptie: het kind is niet van ons, maar het verblijft wel jaren aan een stuk in ons gezin. We maken alle beslissingen en hebben ouderlijk gezag. Wij hadden geen zin om met de echte ouders te moeten overleggen over de opvoeding van de kinderen. We doen het op onze manier.”

Jullie 3 kinderen kunnen heel moeilijk of niet terug naar hun ouders, maar bij Belgische kinderen ligt dat helemaal anders …
Jan: “Inderdaad. Ook hier streven we naar een overgangsperiode zodat het kind en de ouders opnieuw aan elkaar kunnen wennen en de pleegouders voorbereid zijn op het feit dat het kind hen verlaat. Je hebt als pleegouder natuurlijk ook een band opgebouwd en je hebt bezoekrecht als de pleegzorg een bepaalde periode duurde. De stapsgewijze terugkeer gebeurt ook een beetje uit voorzorg. Stel dat het opnieuw misloopt? Als er spanningen ontstaan, kan er een pauze ingelast worden. Het kind komt altijd op de eerste plaats. Soms blijft de vaste stek, na advies van de jeugdrechter, toch het pleeggezin en komt er bijvoorbeeld een uitgebreidere bezoekregeling voor de ouders. Indien er conflicten ontstaan tussen de pleegouders en ouders, is er nog altijd de optie om naar de familierechter te stappen. Nu, om conflicten voor een deel te vermijden wordt er bij de opstart van een pleegzorgsituatie een afsprakennota gemaakt waarin ouders en pleegouders het eens worden over bepaalde belangrijke aspecten in de opvoeding en zorg van het kind.”

Maar toch is het niet ondenkbaar dat het misloopt…
Wim: “Pleegzorg is niet altijd gemakkelijk en je mag het zeker niet onderschatten. In het geval van niet-begeleide vluchtelingen lijkt het moeilijkste aspect ons religie. Daar zou het wel eens kunnen foutlopen. Ons eerste pleegkind, Wahidullah, is zeer praktiserend moslim, Nisan is dan weer gematigd moslim en Wilson een praktiserende orthodoxe christen. Vooral bij Wahidullah hebben we het heel moeilijk gehad en best veel ruzie gemaakt. Na jaren van vluchten en zoeken naar een thuis was het de eerste keer dat hij eindelijk terug volledig voor zijn geloof kon gaan. Hij wilde het perfect doen, tot in de puntjes. Dan hebben we het over dagelijks 5 keer bidden, op de juiste uren…”

Bruno: (knikt) “Religie is iets persoonlijks, iets cultureels. Het is vaak ook het enige waar de kinderen nog honderd procent controle over hebben. Wahidullah was fundamenteel niet akkoord met het levensritme van België. Om conflicten te vermijden, zijn we hem in het begin zoveel mogelijk tegemoet gekomen. Vaak kon hij niet mee naar de winkel of op uitstap omdat hij per se wilde bidden. Na verloop van tijd heeft hij gezien dat andere moslimjongeren in België het niet zo strikt nemen. Hij besefte ook meer en meer dat het gewoon niet haalbaar is in deze maatschappij. Toen Nisan er bij kwam, merkte hij ook dat het zo strikt naleven van zijn religie hem tegenhield. Terwijl hij bad, kon zijn broer werken voor school, sporten of andere leuke dingen doen. Wij legden hem nooit iets op, want dat werkt averechts. Hij is zelf, stap voor stap, gematigder geworden. Ook de komst van Wilson heeft veel veranderd. Plots ontmoette Wahidullah iemand die ook zeer gelovig en praktiserend is, maar wel een andere religie heeft. Dat gaf nieuwe inzichten.”

Jan: “Bij Bruno en Wim is het goed geëvolueerd, maar het kan ook écht vastlopen. Als het echt niet meer lukt en het blijkt ook na bemiddeling en crisisgesprekken onoplosbaar, dan wordt de pleegzorg beëindigd en zoeken we een nieuw pleeggezin. Het kan dat er in de puberteit problemen ontstaan die escaleren. Soms is een voorziening dan een betere plek. De jongere komt er in contact met leeftijdsgenoten en dat past misschien beter bij die fase in zijn of haar leven, beter nog dan de warme geborgenheid van een gezin. Het kan een heel bewuste keuze zijn om omringd te worden door leeftijdsgenoten en bepaalde activiteiten samen te doen. Om dezelfde reden kiezen sommige kinderen en ouders trouwens voor een internaat.”

“Zelfs al zijn ze de echte ouders voor langere tijd uit beeld en ook al zou het pleegkind niets liever willen dan mama/papa zeggen tegen de pleegouders: een pleegouder blijft altijd pleegouder”

ROLLERCOASTER

Toch nog even terug naar het ‘waarom’ uit het begin. Zit er ook een vorm van protest in jullie engagement?
Wim: “Toch wel. Noem het militantisme. Wij, Europa, voeren oorlog of willen niet tussenkomen als mensen buiten Europa problemen hebben. Wanneer die mensen dan vluchten, lijkt het me maar logisch dat we hen opvangen. Wij dachten dat dat evident zou zijn, dat veel families zouden denken: ‘Laten we die kinderen een thuis geven.’ Blijkbaar niet.”

Bruno: “Die minderjarige jongens en meisjes zitten verstopt: heel weinig mensen weten dat zij in België rondlopen of vastzitten in centra. Als ze al gezien worden, denken mensen dat ze uitschot zijn of gevaarlijk. Maar het zijn gewoon kinderen; dappere kinderen, die de halve wereld doorkruist hebben en hier aankomen met de droom op een beter leven. Ze willen leren en werken. Waarom zouden we hen niet helpen? Mensen uit onze omgeving geven soms aan dat onze pleegkinderen met hun gat in de boter zijn gevallen. Daar kan ik kwaad van worden. Geldt datzelfde dan niet voor hun eigen kinderen? Het is toch het recht van elk kind om onder de best mogelijke omstandigheden op te groeien? Als wij die kinderen niet goed opvangen, schieten we onszelf in de voet. Zij zullen weerstand opbouwen tegen de maatschappij die hen verstoten heeft. Is het niet uit liefde, doe het dan uit eigenbelang.”

Is dat een drijfveer die je vaker tegenkomt?
Jan: (denkt) “De motivaties variëren heel sterk. Bij ‘netwerkpleegzorg’ zijn het bijvoorbeeld heel vaak grootouders die in geen geval willen dat hun kind in een voorziening terecht komt. Bij ‘bestandspleegzorg’ is het vaak een heel bewuste keuze van het hele gezin met als belangrijkste motivator dat ze gezamenlijk zorg willen dragen voor iemand die het niet zo gemakkelijk heeft. Bij niet-begeleide minderjarige vluchtelingen zijn mensen soms sterk aangegrepen door hun verhaal en willen ze iets concreets betekenen. Geregeld horen we ook dat bestandspleegouders vroeger zelf opgegroeid is met pleegkinderen of dat men iemand kent die ook pleegouder is. Voor sommigen is het dus bijna een evidentie, terwijl het voor anderen echt een stap in het onbekende is. Zo ken ik een man die altijd alleenstaande is geweest, maar een groot huis heeft en in het weekend pubers verwelkomt die er tot rust kunnen komen, even uit de drukte van de voorziening. Atypisch, maar prachtig om te zien.”

Mensen die hun omgeving vertellen dat ze pleegzorg overwegen, krijgen vaak als reactie ‘Ben je gek?’ of ‘Amai, zo nobel’. Wat zouden jullie hen zeggen?
Jan: “Ja, nobel… Kijk, je mag niet de verwachting hebben dat je iemand gaat ‘redden’, à la ‘Oliver Twist’ of ‘Annie’. Dan kom je bedrogen uit. Maar weet wel dat je een gigantisch verschil maakt voor het pleegkind, de pleegjongere of pleeggast. Tegelijkertijd word je af en toe geconfronteerd met je eigen grenzen en verleg je die ook.”

Wim: “Het is echt een avontuur. Een minderjarige vluchteling opvangen is niet altijd gemakkelijk, maar onze vorm van pleegzorg schenkt ons heel veel voldoening: we zien die 3 kinderen ongelofelijk grote stappen zetten op korte termijn. Ze leren de taal, krijgen nieuwe hobby’s, leren gewoontes van een nieuwe cultuur,… het is een rollercoaster. Het brengt pit in ons leven. Pleegzorg is toevallig op ons pad gekomen, maar we zouden er zeker opnieuw voor kiezen.”

Bruno: “Als je graag snel vooruitgang boekt, is dit inderdaad de ideale vorm van pleegzorg. Op een kleine tien jaar doorloop je praktisch gezien alle stappen die je met een eigen kind zou maken: helpen met schoolwerk, strijden over het uur waarop ze thuis moeten zijn na een fuif, een eerste liefje, het kopen van een huis… Het enige dat je niet hebt, is de baby en jonge kindertijd. Maar je kan echt een belangrijke rol spelen in het leven en de toekomst van een kind. Daarnaast heeft pleegzorg ook de band tussen Wim en mezelf versterkt. Pleegkinderen gaven een compleet nieuwe dimensie aan ons leven. Ik zou mensen die het overwegen, écht durven zeggen: smijt u. Ga ervoor!”

“Een pleegkind krijg je kant-en-klaar: met eigen gewoontes, overtuigingen en een karakter dat al sterk gevormd is. Het vraagt tijd om elkaar te leren kennen”

_________________________________________________________________________________________________________________________________

WAT DOET PLEEGZORG VLAANDEREN?

  • Pleegzorg Vlaanderen werkt nauw samen met de 5 provinciale pleegzorgdiensten die op hun beurt bijna 6.000 pleeg- en gastgezinnen begeleiden.
  • De organisatie heeft een verbindende taak en brengt alle betrokkenen rond de tafel om de toekomst van pleegzorg verder uit te tekenen.
  • Daarnaast weegt Pleegzorg Vlaanderen via sensibiliseringscampagnes op het beleid en de wetgeving rond pleegzorg.
  • Sinds 1 september 2019 is het statuut van pleegouder opgenomen in het Burgerlijk Wetboek.
  • Pleegzorg Vlaanderen pleit samen met de Gezinsbond voor het openstellen van het ouderschapsverlof voor pleegouders die langdurige, continue pleegzorg opnemen.

_________________________________________________________________________________________________________________________________

WIE IS JAN BROCATUS?

  • Jan werkt sinds september 2017 voor Pleegzorg Vlaanderen als perswoordvoerder en beleidsmedewerker.
  • Daarvoor was hij lang in dienst in de sector voor mensen met een beperking. Hij werkte ook 10 jaar als directeur van Amnesty International.
  • Jan woont in Leuven en is alleenstaand.
  • Als hij ooit van job verandert, zou hij graag zelf pleegouder worden in de vorm van ‘logeergezin’, maar voorlopig wil hij ‘neutraal’ blijven.
  • Een boek dat hij kan aanraden is: ’Voor altijd mijn kind: eigen verhalen van ouders met kinderen in pleegzorg’ van Nancy Leysen, “omdat daar heel goed het perspectief van de ouders in naar voor komt”.
  • Zijn lievelingsroman is: ‘De kolonel krijgt nooit post’ van Gabriel Garçia Marquez.

_________________________________________________________________________________________________________________________________

WIE ZIJN BRUNO EN WIM?

  • Bruno Terryn (46) is ingenieur actief in vastgoed en werkt ook mee in het architectenbureau van zijn man Wim Tielemans (42). Hij houdt van klassieke muziek en speelt piano. Daarnaast sport en zwemt hij graag of vertrekt met Wim naar de Italiaanse bergen om te wandelen.
  • Wim en Bruno leerden elkaar kennen als student, via de holebiorganisatie ‘verkeerd geparkeerd’. Ondertussen zijn ze 23 jaar samen en wonen ze in Molenbeek. Ze zijn pleegouder van Wahidullah (19), Nisan (16) en Wilson (14).

WAHIDULLAH* IS 19
en werd 5 jaar geleden opgenomen als pleegkind in de familie. Toen hij aankwam was hij analfabeet; ondertussen spreekt hij Nederlands en Frans. Hij werkt in een garage, waar hij instaat voor het onderhoud van de auto’s. Wahidullah komt oorspronkelijk uit Afghanistan. Hij heeft nog contact met zijn biologische moeder, zijn vader is overleden.
NISAN* IS 16
en reeds 4 jaar in het gezin van Bruno en Wim. Hij zit in het vierde middelbaar wetenschappenwiskunde. Nisan heeft nog contact met zijn biologische moeder, zij is op de vlucht. Zijn vader is overleden.
WILSON* IS 14
Hij komt uit Eritrea en verblijft ondertussen 2 jaar bij de familie als pleegkind. Hij heeft geen contact met zijn biologische ouders, beiden zijn hoogstwaarschijnlijk overleden.

Niet-begeleide minderjarige vluchtelingen zijn beschermd, en mogen tot hun 18 jaar in België blijven. Wahidullah, Nisan en Wilson hebben ondertussen alle drie een verblijfsvergunning en weten dus dat ze ook na hun 18de levensjaar in België kunnen blijven wonen.
* De namen van de 3 pleegjongeren zijn om privacyredenen gewijzigd.

_________________________________________________________________________________________________________________________________

Pleegouder worden in 3 stappen

  1. Informeer je
    Er is heel veel informatie te vinden op de website van pleegzorg Vlaanderen: www.pleegzorgvlaanderen.be. Daar kan je een infopakket aanvragen. Een echte eerste formele stap is de deelname aan een infoavond, dat is een vereiste. Na zo een infoavond is er al heel wat uitval. Om een pleeggezin te kunnen worden, moet je namelijk voldoen aan een aantal vereisten. Zo is er bijvoorbeeld een bepaalde stabiliteit nodig en moet je openstaan voor gedeeld ouderschap met de eigen ouders van het kind.
  2. Screening
    Als je overtuigd bent, vul je een aanmeldingsformulier in en vanaf dat moment start de screening. Dat zijn voornamelijk individuele gesprekken, maar soms zit er ook een groepssessie in. Vaak is er een ontmoeting met ervaren pleegouders, zodat kandidaat-pleegouders op een heel vrije manier hun vragen kunnen stellen. Dan duiken er soms nog elementen op die ervoor zorgen dat pleegzorg niet aangewezen is. Het zijn uiteindelijk de pleegzorgdiensten die beslissen wie zij toelaten.
  3. Start
    Als je als pleegouder aan de slag gaat, krijg je natuurlijk altijd begeleiding. Er wordt samen met alle gezinsleden gezocht naar een goeie match met een bepaald kind. Er volgt een zachte overgang: een kennismaking, een eerste bezoek, een eerste verblijf. Pas als de klik er is, wordt de pleegzorg definitiever van aard.

 

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.